Dit lijkt mij een sleutelzin in dit boek: “ ‘Si vis pacem, para bellum.’ Indien u vrede wilt, wees dan voorbereid op de oorlog.” De zin lijkt actueler dan ooit nu de inval van Rusland in Oekraïne de vrede in de wereld bedreigt. Niet dat er voorheen vrede in de hele wereld was, oorlog lijkt eerder een constante dan een uitzondering, maar deze oorlog lijkt erop gericht om juist dat deel van de wereld waar vrede een constante leek, opnieuw instabiel en gewelddadig te maken. Tijd zal leren of dat lukt.
Armoede en rijkdom
Ik lees dit boek terwijl ik verblijf bij een familie op de punt van het schiereiland van Sorrento, in Massa Lubrense Termini, één van de uiteinden van Italië en daarmee van Europa. Het leven hier is eenvoudig, op het armoedige af. De mensen hebben andere prioriteiten dan de rijke toeristen die ze huisvesten. De huizen in dit deel van de wereld zijn gebouwd om mensen te beschermen tegen warmte en zon, waar die in het rijke noorden juist zijn gebouwd tegen regen en kou en om te vullen met dure en modieuze spullen. Hier geen grote auto’s; de waarde van een auto wordt hier bepaald door hoe klein en sterk die is, om alle kleine paden en steile kronkelwegen door de bergen te kunnen berijden. Veel eten is hier gratis: vlezige tomaten, courgettes en aubergines groeien in eigen tuin, evenals citroenen. Rucola is een soort onkruid hier en smaakt zelfs een beetje scherp - heerlijk. In zijn algemeenheid leven mensen meer met kwaliteit van leven dan met het materiële. Romantiseer ik? Natuurlijk, want het leven hier is economisch schraal: de teelt van citroenen en olijven is hard werken en resulteert niet in rijkdom. Waarschijnlijk maken daarom veel mensen limoncello van hun citroenen, omdat daar meer toegevoegde waarde in zit. De oudste dochter van dit gezin gaat volgend jaar medicijnen studeren en moet daarvoor helemaal naar Rome of Milaan omdat de faculteit van Napels vol zit. En toch: de mensen zijn hier hartelijk en familiebanden sterk. De limoncello is heerlijk, net als de lokale wijn van Falanghina (wit) en Aglianico (rood) druiven. Het eten hier is eenvoudig en geweldig smaakvol. Een eind verderop langs de kust ligt Positano, een prachtig dorp dat is verworden tot toeristenoord voor rijke Amerikanen: een soort Disney-versie van Italië. De mensen daar, in dat oord gericht op vermaak, zijn veelal onaardig, ongeïnteresseerd en brutaal. Er zijn minstens twee soorten rijkdom en armoede leer ik hier: materieel-economisch en emotioneel-ethisch. Misschien gaat het boek van Terrin hier ook over.
Aantekeningen voor mezelf gemaakt - één grote spoiler!
Allegorie over oorlog en vrede
Ik lees dit boek als een Kafkaëske allegorie over oorlog en vrede, maar de vraag is wel welke oorlog en vrede? Of een Beckett-eske allegorie. Of één à la J.G. Ballard. Kafka vanwege de absurde setting en overgave van de twee hoofdpersonen aan ‘de organisatie’. Beckett omdat dit boek doet denken aan de mannen die in vuilnisbakken wonend wachten op Godot die niet komt. Ballard omdat de setting doet denken aan het gebouw in High Rise, met hoe hoger hoe rijker en bovenin de architect. Terrin heeft in dit boek de wereld teruggebracht tot een gebouw waarin rijke mensen wonen (“de elite”). De appartementen zijn voorzien van vijfsterren-service als in een hotel. Dus bediening, bewaking, koks, chauffeurs, hoveniers etc. Over de elite krijgen we nauwelijks iets te horen, de handeling gaat vooral over het eentonige leven van de twee bewakers van de garageboxen voor de luxe auto’s in de kelder, tevens de enige ingang tot het gebouw. De bewakers bewaken de elite, maar wie bewaakt de bewakers? “In deze wereld zijn we (de twee bewakers, red.) voor elkaar de enige zekerheid die we hebben.” De bewakers moeten zichzelf zien te redden. Op een dag vertrekken alle bewoners, op één na; vanaf dan is de taak van de twee mannen nog absurder dan voorheen.
Perspectief
De twee bewakers hebben geen enkel perspectief op verbetering van hun leven. Zelf denken ze doordat ze altijd braaf doen wat van hen verwacht wordt, dat ze wegens grote trouw op korte termijn zullen worden gepromoveerd naar de bovenwereld - als lezer denk je dat het juist vanwege die trouw is dat dat nooit zal gebeuren. Is er dan toch verzet en geweld nodig om onderdrukte mensen een beter leven te geven? De mannen worden regelmatig vanuit de buitenwereld bevoorraad. In een episode blijft die bevoorrading lang uit en leiden de mannen honger. Als de bevoorrader alsnog verschijnt zegt die dat de mannen blij mogen zijn dat hij ze nog iets brengt.
Procedures
De mannen léven niet maar voeren procedures uit. Eén van hen bakt dagelijks brood: “Ik heb in de juiste verhouding ingrediënten samengevoegd en de machine ingeschakeld; het is de vraag of ik hiermee kan beweren dat ik brood heb gebakken. Soms lijkt het me onvoldoende. Iets ontbreekt.” De mannen lijken te hebben geleerd dit machinaal uitgevoerde leven te omarmen alsof ze nooit anders hebben gewild. Staan de mannen in de kelder voor dat deel van de wereld die de rijkdom van de mensen in de westerse geïndustrialiseerde samenlevingen faciliteren? De landen die we wel eens ‘derde wereld’ noemen? (Nb de ‘tweede wereld’ refereert aan de communistische landen, juist landen die momenteel proberen om de machts- en economische verhoudingen in de wereld in hun voordeel overhoop te halen).
Welke oorlog?
Af en toe geeft Terrin een inkijkje in het leven van de rijke mensen in de woontoren en er buiten. Het lijkt alsof die net zoals de bewakers in de kelder niet veel meer doen dan vaste patronen herhalen, alleen dan met veel meer comfort vanzelfsprekend. De elite lijkt met niets te willen worden gestoord: “(…) zolang het zijn werkzaamheden niet in het gedrang bracht en het vertrouwen niet werd beschaamd.” De woontoren lijkt te staan in een gebied dat is getroffen door een virus. De twee mannen weten van niets; informatie over de buitenwereld bereikt hen niet. “Zoals sommigen hebben voorspeld, doemt een nieuw soort oorlog op, gemakshalve de Nieuwe Oorlog genaamd. Een oorlog waarvan niemand weet of hij werkelijk bestaat, nog moet beginnen of reeds in alle hevigheid is uitgebroken. (…) Precies dit jaagt iedereen op de vlucht: de vijand is onbekend.” In deze constellatie zijn de twee mannen in de kelder vergeten. Dit soort passages laten je als lezer alle ruimte om te projecteren wat Terrin zou kunnen bedoelen: de oorlog van de tweede en/of derde wereld met de eerste? De oorlog van de dierenvirussen zoals Sars, Ebola, vogelgriep, varkenspest en Covid met de mensheid? De oorlog van het rechts-extremistische populisme of het extreem linkse woke met de gematigde beschaving? Klassenstrijd? Strijd van het individu tegen waanzin? Zelfs antisemitisme komt even langs, als één van de twee bewakers dagdroomt over het molesteren van een joodse rijke in het gebouw boven hem.
Bewaker
Op een willekeurige dag verschijnt een derde bewaker, door “de organisatie” gestuurd. De man heeft geen opdracht, geen verleden, geen idee wat hij voorheen bewaakte, hij deed alleen wat hem werd gevraagd en stelde geen vragen, net zoals de twee mannen in de kelder. De komst van nummer drie mondt uit in een drama. Eén van de twee vertrouwt nummer drie niet, sluit hem op en martelt hem om hem aan het praten te krijgen; maar er komt niets want er is geen verhaal. Nummer drie overlijdt. De derde bewaker is zwart. De agressieve andere spreekt vol afschuwelijk dedain over zwarte mensen. Racisme zou ook een thema van dit boek kunnen zijn. Dat het boek ‘De bewaker’ heet en niet ‘De bewakers’, verwijst mogelijk naar de derde bewaker, de nieuweling, de indringer, de vreemdeling. Of naar de bewaker-verteller, - we weten het niet.
Isolement
Het boek valt ook te lezen als een relaas over isolement en eenzaamheid. Door de uitzichtloze eenzaamheid verzinnen de mannen hun eigen werkelijkheid wat ertoe leidt dat je als lezer denkt dat ze gek worden. Op het eind van het boek heeft één van de twee een korte ontmoeting met de laatst overgebleven bewoner, een ‘gewoon iemand’. Kunnen we daaruit het verschil afleiden tussen de bewaker (gek) en de bewoner (normaal)? Opnieuw: we weten het niet; Terrin laat het allemaal in het midden.