Ferdinand Bordewijk was born in Amsterdam and studied law in Leiden. After graduation he worked at a Rotterdam law firm.
His first published work was a volume of poetry titled Paddestoelen ("Mushrooms") under the pen-name Ton Ven. It was not particularly well received.
His breakthrough came with the short novels Blokken ("Blocks", 1931), Knorrende Beesten ("Growling Animals", 1933) and Bint (1934), and two longer works Rood paleis ("Red Palace", 1936) and Karakter ("Character", 1938).
His style, which is terse and symbolic, is considered magic realism. He was awarded the P.C. Hooftprijs in 1953 and the Constantijn Huygens award in 1957.
In 1940 verschijnt deze roman van Bordewijk. Een andere tijd dan de onze. Maar hoe representatief is het wereldbeeld van waaruit Bordewijk schrijft voor de tijd waarin het verschijnt?
Het verhaal is gesitueerd in Groot Brittanie, in Londen vooral en daar weer vooral in het pension Mulholland House.
We maken kennis met Bella Babcock, een tamelijk eigenzinnige Amerikaanse van 25. Een feministe, in de context van het boek, met de diep gevoelde wens te trouwen, zij het niet met de mannen die haar sociale omgeving als geschikte kandidaten ziet. Messcherp is ze, bovendien. Zij valt voor de Nederlandse aristocraat Starnmeer, een nihilist, die Bella en Ewijk - notaris/schrijver en klasgenoot van vroeger - met zijn ideeën besmet en ze zodoende de grond onder de voeten doet verliezen. De fascinatie is wederzijds, maar Bella voelt dat een huwelijk met Starnmeer een hel zal worden, een aanhoudende strijd tussen haar levenswil en zijn nihilisme; een strijd die zij uiteindelijk zal verliezen. Zij wijst hem af.
Rondom deze onmogelijke liefde beweegt zich behalve Ewijk de Rumakasta Guard, een Amerikaanse dansgroep van vier lange meiden - minstens 1,85 meter - die furore maakt in Londen. Starnmeer vraagt een van deze vier, Star Lanting, ten huwelijk en trouwt met haar.
Ewijk ontmoet Starnmeer op de boot naar Engeland, als hij voor zijn jaarlijkse schrijfretraite naar Londen reist. Al tijdens hun eerste gesprek doet Starnmeer een uitspraak die Ewijk niet meer loslaat: ""Ik beklaag jou en alle schrijvers en alle kunstenaars en alle wetenschapsmensen. Wat is je gedicht, je roman, je schilderij, je symfonie, je uitvinding, je exposé, je systeem, wat is dat alles vergeleken bij wat je gewild had dat het zou zijn? Wat is het resultaat van je inspiratie vergeleken bij je inspiratie zelf? Alles dat door een mens heengaat, of dat nu voedsel is of iets anders, is minderwaardig aan zijn oorsprong, is verbrandingsproduct." Het woord 'verbrandingsproduct' maakt Ewijk het schrijven verder onmogelijk.
Behalve dat het minder voor de hand ligt het 'vernietigende' van Starnmeers ideeënwereld te herkennen dan deze 80 jaar geleden en in ieder geval voor Bella Babcock en Ewijk was, vond ik het tamelijk oubollige vrouw (en man) beeld van waaruit Bordewijk schrijft hier en daar hinderlijk.
Natuurlijk, een personage is nooit te vereenzelvigen met de schrijver. Laat staan dat de gedachten van een personage de gedachten van de schrijver uitdrukken. Maar na 400 pagina’s wordt het ingewikkeld om je oordeel uit te stellen. Man man man wat een misogynie. Van àlle karakters. Het meest nog van de ‘democrate én feministe (-1 golf)’ Bella. Iedere vrouw die zij ziet is onvolkomen. Lelijk, onbeholpen. Dom. Inhoudsloos. Vol pretentie. Nep. Etc. Het zogenaamde hoofdpersonage Starnmeer, nutteloze baron met als beroep de wereld een stukje slechter maken, is dan nog het meest positief over vrouwen - hij ziet er nog iets van schoonheid in terug (ook erg beperkt). Leuk detail: het uiterlijk van de mannen blijft nagenoeg onbesproken.
Inhoudelijk is de roman ouderwets. Een filosofisch idee uitgewerkt zonder iets van urgentie of actualiteit.