Marnix Gijsen was de schrijversnaam van Joannes Alphonsius Albertus Goris, een Vlaams schrijver. Zijn pseudoniem komt van Marnix van Sint Aldegonde en de naam van zijn moeder, Gijsen.
In 1926 ontving hij de August Beernaertprijs voor Het huis.
Marnix Gijsen was the pen name of Joannes Alphonsius Albertus Goris, a Flemish writer. His pseudonym relates to Marnix van Sint Aldegonde and the surname of his mother (Gijsen).
Dit boekenweekgeschenk uit 1978. bevat zeven verhalen van Marnix Gijsen, steeds vanuit een naamloze ik-figuur geschreven. Het gaat dus om sterk autobiografische verhalen. Toen Gijsen, pseudoniem voor Albert-Jan Goris deze verhalen schreef was hij al ver in de zeventig. Hij is geboren in 1899, het laatste jaar van de negentiende eeuw. De uitdrukking ‘overkomst dringend gewenst’ werd vroeger gebruikt in radioberichten om verwanten van ernstig zieken of overledenen op te roepen naar huis terug te keren vanuit hun vaak onbekende vakantiebestemming. Dat alles lang voordat internet was uitgevonden. De verhalen zijn onderhoudend geschreven, met een wat cynische ondertoon. Misschien juist daardoor weten ze me als lezer niet echt te raken, al valt er voldoende leed in de verhalen te bespeuren, zoals een gezin dat verongelukt of een man die 57 fracturen krijgt en als een mummie in een ziekenhuisbed ligt. Het is volgens mij zeker niet het beste werk van Gijsen, die vlak na de oorlog veel romans uitbracht, die in mijn middelbare schooltijd, begin jaren zestig, veel werden gelezen. In 1964 bezocht ik in Utrecht een lezing die hij gaf, hij was toen 65, ik zeventien. Hij vertelde over zijn werk in de VS en over zijn ervaring in het leger en hoe hij zich toelegde op het schrijverschap. Van katholieke jongeman tot agnost. In die tijd las ik diverse boeken van hem.
De bijna 80-jarige Marnix Gijsen zal met dit verhalenbundeltje, wat ongeveer zijn laatste literaire prestatie is, weinig nieuw jong publiek veroverd hebben. De meeste zijn veeleer autobiografisch dan literair uitgewerkt, zijn ironisch cynisme is helaas vrij verzuurd geworden. De bijgevoegde tekeningen voegen niets bij. Voor knappe Marnix Gijsen verwijs ik naar ‘Klaaglied om Agnes’, ‘Jacqueline en ik’ of ‘De diaspora’, naar ‘De man van overmorgen’ of ‘De kat in de boom ‘.
Ik ben blij dat ik een recensie vond waarin sprake is van zich voortslepende verhalen, slaapverwekkend tempo, moeizaam bereikte clous en weinig verrassend gejeremieer. De recensie dateert uit 1978 en is wat mij betreft niet verouderd. Alleen het verhaal ‘Boze geesten verdrijven’ vond ik wel aardig. Toch heb ik Marnix Gijsen een positieve herinnering. Ik heb een tijd lang – lang geleden – veel van hem gelezen en hoopte met deze dunne bundel (Boekenweekgeschenk 1978) dat enthousiasme weer op te wekken. Helaas.
Het was het bovenste boek van de stapel. Na een paar bladzijdes wordt het al vermoeiend dat gezichtspunt van de witte zeventiger die met weemoed verteld over de avonturen van zijn geslacht. Pfff, de jaren zeventig, toen misogynie nog heel gewoon was, fijn dat we daar voorbij zijn. Gaat dit boek in een boekenkastje of bij het oud papier?