Dat computers intelligente machines zijn merken we dagelijks; en konijnen - of dieren in het algemeen - zijn meestal ook niet op hun achterhoofd gevallen. Toch lijkt het alsof er een speciaal plekje is voor ons, de mens. De intelligentste van allemaal. Veel mensen hebben het gevoel dat wij iets extra's hebben ten opzichte van dieren en een ziel, bewustzijn, of een wil. Maar is dit gevoel terecht?De ijzeren wil gaat over kunstmatige intelligentie en over de filosofische vragen die daaraan verbonden zijn. De ijzeren wil geeft niet per se antwoorden, maar laat wel zien hoe je op een intelligente manier met dit soort vragen om kan gaan. Speels, en met voorbeelden uit het dagelijks leven.
Weer een aardig gedachtenexperiment van Haring, dit keer over of het mogelijk is dat machines denken, een wil hebben, bewustzijn hebben en/of zelfs leven. Daarvoor verkent Haring de genoemde begrippen eerst met de vraag: wat bedoelen we er eigenlijk mee?
Haring is naar wel wat kort door de bocht en in mijn ogen wat te stellig gezien zijn onderbouwing, die uit niets meer bestaat dan zijn eigen gedachtengang. Wil je op dezelfde conclusie uitkomen als hij, moet je dus al zijn gedachten en aannames over de eerder genoemde begrippen onderschrijven, en dat zijn er nogal wat. Dat doe ik niet, maar het is wel interessant om bij jezelf na te gaan waarom dan niet.
Zo haak ik af bij de stelling dat robots die (geprogrammeerd) gedrag vertonen om hun eigen destructie te vermijden, doodsangst zouden hebben; angst is immers een emotie die gelinkt is aan een fysiologische reactie - dat is heel wat anders dan het machinaal volgen van computercode, waar geen gevoel aan te pas komt. Ook de stelling dat het leven zich niet wezenlijk, maar slechts in begrip, zou onderscheiden van het levenloze, lijkt een dermate grote relativering dat je je afvraagt waarom we uberhaupt nog zouden filosoferen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor als hij stelt dat je een robot wel of geen individu mag noemen wat hem betreft, omdat 'individu' toch slechts een woord is.
Ik vond het boek over het geheel genomen dus wat te 'makkelijk', d.w.z. niet of te snel voorbijgaand aan andere denkrichtingen, en daarmee wat onbevredigend.
“Er is geen hersencel die weet wat hij doet: hersencellen weten niks en doen maar wat.” De toon is gezet. Reeds in het eerste hoofdstuk van “De IJzeren Wil” laat Haring doorschemeren dat hij niet van plan is een betoog op te zetten waarin de mens wordt opgehemeld als bijzondere soort. Ja, we beschikken over een ‘vrije wil’, maar dit is slechts een simplificatie voor een cascade van fysiologische processen, waarin hormonen, hersenklieren en neurotransmitters betrokken zijn. Haring denkt niet dat er een specifiek plekje in de hersenen zit waarin de wil huist.
Van brein naar computer lijkt een grote stap, toch maakt Haring deze stap in dit boek. Hij zet ze zelfs lijnrecht tegenover elkaar: een computer is eenvoudig en snel en het brein gecompliceerd en langzaam. Je kan een robot zodanig programmeren dat deze weg zal rennen voor mensen: de robot is dan 'bang'. Net zoals de mens robots kan programmeren, zijn emoties in de mens ‘geprogrammeerd’ (Ofwel door een programmeur, waarmee Haring op God doelt, ofwel door de evolutie. Haring laat duidelijk zijn voorkeur voor het tweede blijken). Een hypothetisch wezen dat vele malen intelligenter dan de mens is (door Haring een 'marsmannetje' genoemd), en die in staat is om menselijk gedrag toe te schrijven aan de precieze hersenwerking, ziet de mens wellicht als voorgeprogrammeerd. Dit doet echter niets af aan onze intelligentie en vrije wil.
De IJzeren Wil is een schoolvoorbeeld van het populariseren van wetenschap. Het boek beschrijft een lopend verhaal, zonder referenties in de tekst. Je krijgt de indruk dat Haring het boek in een ruk geschreven heeft zonder tientallen boeken en artikelen te hebben geraadpleegd. Haring windt er geen doekjes om, in hoofdstuk 1 geeft hij exact aan waar hij naartoe gaat, maar ook dekt hij zichzelf in. “Misschien is zelfs alles wat ik zeg in de details onwaar. Maar het gaat me hier niet om de waarheid van de details, het gaat me om de hoofdlijn van ideeën.” Dat is prima. Hierdoor benadrukt hij dat wetenschap niet louter over feitenkennis gaat, maar dat originaliteit en creativiteit minstens zo belangrijk zijn.
Dat Haring simpel en duidelijk kan schreven bewees hij met zijn debuut "Kaas en de Evolutietheorie". Echter had dit eerste werk betrekking op een onderwerp waarin Haring niet gespecialiseerd is (de evolutietheorie). De IJzeren Wil heeft betrekking op het onderwerp waarin Haring promoveerde (Artificiële Intelligentie) en daarin schuilt het gevaar van het gebruiken van téveel details en vakjargon. Wat dat betreft niets dan lof voor zijn schrijfstijl. Haring gebruikt heldere taal en weet voor alles, maar dan ook alles, een sprekend voorbeeld uit de hoge hoed te toveren. Woordspelingen passeren veelvuldig de revue. Zo kan een mierenhoop klaarkomen en zijn konijnen ‘angsthazen’. Tussen neus en lippen door geeft hij persoonlijke informatie prijs. Zo is het overduidelijk dat Haring wel een biertje lust, niet goed kan schaken en hoogtevrees heeft. Haring doet precies wat hij beloofd heeft; hij geeft geen concrete antwoorden, maar laat zien hoe hij over de materie denkt en welke antwoorden hij voor zichzelf heeft. Robots en mensen zijn niet zo verschillend als we denken: “Onze emoties lijken in zekere zin op die van een robot en andersom, en de emoties van een robot zijn net zo echt als die van ons.”
Een erg geestig boekje over hoe robotten op een darwinistische wijze zouden kunnen ontstaan en overleven EN over de werking van onze eigen hersenen die niet meer blijkt te zijn dan driehonderduizend kakelende kippen zonder koppen.
Weer een heerlijk boekje van Bas Haring. Geweldig hoe hij je mee kan voeren langs de logische redeneerstappen die hij zet. Het klinkt allemaal heel logisch als je het leest, maar om nu een logische samenvatting te geven... nee, daarvoor moet je denk ik toch Bas Haring heten.