uit, maar niet echt, want zo werkt een dichtbundel niet
toegegeven, heel wat gedichten waar ik weinig mee heb
maar dan af en toe, een handvol gedichten misschien maar, waar ik het hoekje omvouw en die ik lees en herlees en herlees, en dan elke keer iets anders ontdek, iets anders begrijp
(en misschien gebeurt dat later ook nog met al die andere gedichten waar ik nu nog niet zoveel mee heb en krijg ik deze bundel dus écht nooit uit, wat een heerlijk vooruitzicht)
lees deze eens
en dan nog eens en
nog eens
(en ze staan naast elkaar op pagina 26 en 27
waardoor de hoekjes naar elkaar toe geplooid zijn, lief is dat)
[p. 26]
MOED
De nacht heeft mij weer van mijn apropos gebracht
langzaam loopt de ochtend vol
met woorden die ik zeker weet
dat iets betekenden, maar wat?
gisteren iets betekenden.
Lopen is op voeten balanceren,
op straat zie ik de warme wezens
die ook de onbegrijpelijke moed
hebben gehad om op te staan
in plaats van niet.
Nooit is iemand zeker van iets,
te worden geliefd, te worden verlaten
alles kan en alles mag
alles wisselt elkaar af.
Nu weet ik weer wat ik zeggen wou:
zolang het niet te ongelukkig maakt
is het een leuk gevoel. Maar eigenlijk
zijn wij zacht als Turkish Delight
in een blik met spijkers.
[p. 27]
OUDERDOM
Later, als ik zwakzinnig ben
met schoothond en schrikvel
houd ik een kruik warm
tegen me aan en praat
ik met je in mijn slaap.
Als je nu kan begrijpen
wat ik dan ga bedoelen,
krakende dorre tak dat ik ben,
ga ik me niet zo afgebroken voelen
maar meer een uitgeblazen paarde-
bloem. Hoor je me dazen?
Daar gaan mijn parachuutjes al.