In Het leven en de dood in de ast, een van de klassieke hoogtepunten uit de Vlaamse literatuur, beschrijft Stijn Streuvels een nacht warin vijf arbeiders machinaal hun werk verrichten in een cichoreidrogerij. Tijdens de rust mijmeren ze bij de open vuurhaarden. De gesprekken gaan over in dromen; verleden en toekomst smelten in elkaar.
Een zwerver zoekt in de ast een plaats om te sterven. Met de komst van de dood schieten de dromers uit hun sluimerslaap: het banale, onafwendbare leven wacht. Het wordt weer dag en de noodzaak der dingen beveelt wat er gedaan moet worden.
Stijn Streuvels, pseudoniem voor Franciscus (Frank) Petrus Maria Lateur was een Vlaamse schrijver. Streuvels werk gaat meestal over het landelijke leven van de arme boeren in Vlaanderen.
Stijn Streuvels, pseudonym for Franciscus (Frank) Petrus Maria Lateur was a Flemish writer. Streuvels work usually deals with the rural life of poor farmers in Flanders.
Het is nu de derde keer dat ik 'Het leven en de dood in den ast' heb gelezen en nog steeds weet het mij te beroeren.
In deze novelle - die ongetwijfeld tot het beste wat Streuvels schreef, behoort - confronteert hij ons pijnlijk met de eindigheid en tragiek van het menselijke bestaan. Hoewel deze thematieken op en top streuveliaans zijn, is de quasi-theatrale structuur van het verhaal een buitenbeentje in zijn bredere oeuvre.
'Het leven en de dood in den ast' is een absolute aanrader.
PS, na de vierde* keer lezen: Mijn oordeel blijft hetzelfde - zelfs nog versterkt! Iedere lectuur ontdek je nieuwe aspecten, invalshoeken, kronkels ... die het de moeite waard maken om het boekje te lezen en te herlezen.
Een boek met een universeel thema: het levenslot en kan je het veranderen. Drie mannen werken lange dagen en nachten in een ast, een cichorei-droogoven, en tijdens en tussen het werken denken ze na over hun leven en wat ze er nog van willen maken, de ene al meer dan de andere. Van Blomme vernemen we het meest. Hij is naar de normen van die tijd, 1926, al bejaard maar hij blijft dromen van zijn eigen boerderijtje. Maar stilaan daagt het hem dat hij zijn droom wellicht nooit zal kunnen waarmaken. Omwille van dit thema las ik het boek graag en zou ik het 4 sterren geven. Wat me echter tegenviel was dat er op 93 bladzijdes (ik las het ebook van de laatst uitgegeven versie) 645 verwijzingen/noten zijn met uitleg van gebruikte woorden. Nu ben ik zelf al 70 en herinnerde ik me af en toe wel woorden die mijn overgrootouders ook gebruikten maar nog moest ik veel opzoeken. Uit de context kon ik meestal wel opmaken waar het over ging. Maar als ik zo vaak een woord moet opzoeken, dan ben ik uit het verhaal, dat stoort me. Die verklaarde woorden zijn natuurlijk typisch voor de landelijke streekgebonden taal van Stijn Streuvels en een "vertaling" naar hedendaags Nederlands zou er een ander boek van maken, vooropgesteld dat er van al die woorden een hedendaagse versie is natuurlijk. Maar daarom vraag ik me wel af welke jongeren dit boek nog willen of kunnen lezen?
Het is altijd de eeuwige, voorgehouden waarheid, die niemand ontgaan kan: dat men in 't zelfde vel blijft steken waarin men geboren is... dat men niet buiten de dingen kan die u omgeven, tenzij in den droom.
Dromen doen de drie mannen die nachtdienst hebben in den ast, een bloedhete, mistige droogoven waar chicoreibonen worden gedroogd. Tussen waken en slapen overlopen ze hun leven: hun verwachtingen, de clash van de realiteit met de droom. Ze zijn in de herfst van hun leven aangekomen, een jongere generatie staat klaar om hun taken over te nemen, het is de 'eeuwige beurtgang'.
Hun gedachten blijven voor eeuwig onuitgesproken: (...) bij ingeving en gevoel maakt ieder bij zich zelven het onderscheid in 't geen gezegd en 't geen verzwegen wordt, - omdat 't één aan 't oppervlak van hun wezen ligt, 't ander in de onderste lade verborgen blijft.
Wanneer de oude zwerver Knorre de ast binnenvalt, en in zijn slaap geleidelijk aan het tijdelijke voor het eeuwige wisselt, kristalliseren de gedachten zich. De drie mannen zijn zich bewust van zijn stervensproces, maar negeren dit - zoals we maar al te graag de dood negeren tijdens het leven. Knorre duikt op in hun nachtmerries en wordt een sombere voorafspiegeling van wat hen zelf - binnenkort - te wachten staat.
Hoewel een novelle, doet Leven en dood in den ast aan als een toneelstuk: we zien een stuk in verschillende bedrijven, dat als een droom aan ons gepresenteerd wordt. De ast is een gelaagde metafoor voor dood en leven: nu eens een duivelse oven, dan weer een toevluchtsoord voor de kou. Heel knap hoe Streuvels de essentie weet samen te vatten, zoals ook Koen Peeters aanhaalt in zijn voorwoord:
Het volledige leven is in deze novelle samengevat, met zijn ambities, dromen en de feestelijke mislukking ervan. Het begint met het kijken naar jonge mensen en het eindigt met het staren naar een oude man die sterft. Het gaat over nietigheid tegenover de jeugd, tegenover de boer-eigenaar, maar vooral tegenover de nacht, God en de dood.
“In gedachten doen ze wederzijds beschouwingen over hun stand in ‘t leven, en daar raken zij dingen aan die zelfs niet onder ‘t eigen bloed, of tussen naastbestaanden ooit uitgesproken worden; zelfs op de plechtige stonden van het leven praat men daarover heen, want bij ingeving en gevoel maakt iederbij zichzelf het onderscheid in ‘t geen gezegd en ‘t geen verzwegen wordt,—”
Stijn Streuvels, pseudoniem voor Franciscus Petrus Marie (Frank) Lateur (Heule, 3 oktober 1871[1] – Ingooigem, 15 augustus 1969) was een bekend en geliefd Vlaams schrijver.De 150e verjaardag van het icoon is een uitgelezen moment om zijn oeuvre tegen het licht te houden. Streuvels werd op 3 oktober 1871 in het West-Vlaamse Heule geboren als Frank Lateur, en zou onder zijn pseudoniem uitgroeien tot een van de meest gelauwerde en gelezen Vlaamse auteurs van de twintigste eeuw. Zijn faam kreeg haast mythische proporties dankzij zijn beschrijvingen van de ongerepte natuur, van de verbondenheid van de boer met zijn veld, en van het landelijke, pre-industriële, katholieke Vlaanderen. En dat alles in een in het West-Vlaams dialect gedrenkt Nederlands. Streuvels geldt als een van de belangrijkste vernieuwers uit de Nederlandstalige letteren. In een hoogst creatieve en originele taal, die zijn werk vandaag voor sommigen moeilijk toegankelijk maakt, schreef Streuvels naturalistische novellen die verwantschap vertonen met het werk van Émile Zola en de grote Russische auteurs van zijn tijd (met name Tolstoj). Uit het archief met nominaties voor de Nobelprijs voor de Literatuur bij de Zweedse Academie blijkt dat Streuvels van 1937 tot en met 1957 dertien keer genomineerd is geweest voor de Nobelprijs. Ook in 1965 en 1969 werd hij volgens het Nobelprijsarchief genomineerd. Schoolverlater op veertienjarige leeftijd, en van dan af in de leer als bakkersgast, werd en bleef Streuvels een meertalige autodidact die Frans en Duits las, schreef en sprak, en ook Noors en Russisch las (alhoewel hij bij het vertalen van werk van onder anderen Tolstoj werkte aan de hand van eerdere Duitse vertalingen). Deze novelle speelt zich af op een zondagavond en de daarop volgende nacht. Spelers zijn de cichorei-drogers, ‘asteniers’: Blomme, de opperdroger Hutsebolle, de simpele sukkelaar Fliepo, de landloper Knorre; de jonge hulpjes De Maf en Lot zijn aan het pierewaaien en komen met het ochtendlicht weer op de ast. Het is hard werken, vaak 24 uur door, om de cichorei, de koffie voor de armen, droog te krijgen. Allen hebben hun ervaringen, hun geheime wensen en verlangens en hun immense teleurstellingen, maatschappelijk en persoonlijk. Maar zij schamen zich voor hun diepste verlangens en gedachten en delen die niet met elkaar. De vagebond Knorre op wiens vrije leventje ze allen jaloers zijn. komt in de loop van de avond / vroege nacht naar de ast. Om eruit te rusten, denken de asteniers, maar al spoedig bemerken zij dat hij is gekomen om te sterven. Alle drie merken zij dat op en uit verschillenende motieven maar zij doen niets: geen pastoor wordt gehaald om het heilig oliesel te geven. Het sterven van Knorre brengt bij de drie een soort mystieke openbaring, een visioen te weeg. Als des morgens de jonge gasten De Maf en Lot terugkeren blijkt de zwerver inderdaad gestorven. Zij waarschuwen de boer, op wiens land de ast staat en die zorgt ervoor dat het lijk wordt afgevoerd. De schrijver vergast ons in deze novelle op een opmerkelijk intermezzo, een toneel in het toneel. Als de nacht is neergedaald en de spelers – uitgeteld, geveld – in slaap liggen, toont de enige die wakker is gebleven – de verteller – hoe de muizen te voorschijn komen om in een frenetieker wordend ritme hun spel te spelen, het leven te vieren. De schrijver werkt in deze novelle met de klassieke eenheid van tijd, plaats en handeling: alles speelt zich af tijdens een zondagnacht, op één enkele locatie, en het eentonige ritme van het droogproces bepaalt de gebeurtenissen. De schrijver put zich uit in een overdaad van altijd weer nieuwe, vreemde, eigen woorden om dat spel, dat verhevigde leven te beschrijven en op te roepen voor de lezer die geen toeschouwer is maar toch getuige.
Na ‘Ingooigem. Herinneringen uit het lijsternest’ heb ik mij de voorbije weekavonden gestort op een meesterwerk uit de tweede schrijversfase van Stijn Streuvels. 1926, bijna een eeuw geleden verscheen ‘Het leven en dood in de ast’ van. Streuvels verhaalt over het harde labeur van drie mannen in een droogoven voor cichoreiwortelen. Deze wortelen, geteeld in de vruchtbare grond van West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk, dienden als surrogaat voor dure koffie. Het drogen gebeurde tijdens de wintermaanden en het hele proces vergde onafgebroken gezwoeg van dagloners. Alles speelt zich af tijdens een zondagnacht, op één enkele locatie, en het eentonige ritme van het droogproces bepaalt de gebeurtenissen. Streuvels was in de jaren 1920 de enige Vlaamse kunstenaar die in de banale asten en hun werkvolk de mogelijkheden zag voor een bespiegeling over de waarde van mensenlevens. Knorre sterft in zijn slaap terwijl de anderen zijn doodsstrijd uit alle macht negeren. In weinig andere kunstwerken in het Nederlands zal je het contrast tussen leven en dood zo genadeloos scherp verwoord vinden. Erg mooi boek.
Stijn Streuvels overleed op 15 augustus 1969, vijftig jaar geleden dus. Een auteur kan niet beter gememoreerd worden dan door zijn werk te (her)lezen. Een goede gelegenheid dus om 'Het leven en de dood in de ast' (1926) nog eens uit de kast te halen. En ja hoor, die novelle staat nog steeds overeind.
"Dit huwelijk staat hem nu in de verbeelding als een schromelijke grenspaal die zijn jonge leven afgesloten heeft: de leute ineens uit, rats gelijk met 'n mes... Maar hoe was het tot trouwen gekomen? God weet het! Gauw nadien echter waren hem de ogen opengegaan. Op enige weken: ál de nieuwigheid er af! - ze stonden tegenover elkaar in hun schamel, bloot wezen, hadden niets meer te tonen of te verduiken, en voelden zich aaneengebonden gelijk een koppel ossen aan 't zelfde jok..."
De aanwezigheid van een stervende zwerver dompelt drie arbeiders in een ast één nacht lang onder in fantasieën over de verloren jeugd en dromen over de nietigheid van het leven. De universele, eeuwige kringloop van werken en rusten op het gure Vlaamse platteland valt zelfs niet door de dood en het noodlot te stoppen. Misschien wel de beste euro die ik ooit aan een boek heb gespendeerd. Fantastische novelle. 4.5/5
"Bij nacht wordt een mens bovendien te veel geplaagd door nare gepeinzen die lijk spoken uit de donkerte opkomen, en die men niet verjagen kan, - bij dagen heeft men daar nooit last van."
De stijl van deze novelle is niet erg toegankelijk. Ten eerste, Streuvels gebruikt woorden die niet bestaan. Ten tweede, het is geschreven in het Vlaams. Ten derde, dit Vlaams is 100 jaar oud. Ondanks dit alles, snijdt het verhaal erg interessante filosofische en religieuze kwesties aan. Welke waarde hebben onze dromen en verlangens? Geven ze hoop of gaan we eronder gebukt? Waarom vertellen we elkaar niet alles? Is het soms goed om de ander of ons zelf te bedriegen? Of moeten we misschien leven zoals de muizen in de ast: genieten zoals het komt en ons niet te veel zorgen maken over de toekomst? Het is verrassend dat zo'n kort verhaal zoveel inhoud heeft en tegelijkertijd een troosteloze en saaie sfeer ademt. Al met al een interessante kijk op het toneel van ons leven. Als men geen problemen heeft met de stijl, dan is dit boek een aanrader.
De archaïsche taal is een (kleine) struikelblok, maar het verhaal is verder erg modern. In die zin dat mensen uit begin de vorige eeuw met quasi dezelfde dingen bezig waren als nu. Ook verrassend veel seks (zij het enkel in verwijzing naar) en zeer vrouwonvriendelijk (elke vrouw is ofwel een vervelend wijf ofwel een slet). Knap gecomponeerde vertelling, dat wel.
In 1926 verscheen de novellenbundel “Werkmensen”, met daarin ook “Leven en dood in de ast”, volgens prof.Van Elslander de eerste keer dat de “stream of consciousness”-techniek in de Vlaamse literatuur werd toegepast. Toch is het tegelijk ook opgebouwd als een klassiek drama: r.1-42: eerste bedrijf, het snijden zeven handelingen: scheppen, opgenomen, weggedragen, omgekanteld, teruggebracht, neervalt, gevuld (verbale stijl) gevolgd door de interpretatie van de auteur (in de tweede paragraaf), nl. “eenbaarlijk herhalen derzelfde beweging“, in een paratactische of asyndetische stijl: het naast elkaar stellen van gelijkwaardige beschouwingen r.43-71: tweede bedrijf, het uitstrooien van de wortelen r.72-113: derde bedrijf, de introductie van de personages r.114-201: vierde bedrijf, het binnendringen van het tijdsbesef r.202-292: interludium (picturaal tableau) r.293-einde: vijfde bedrijf: tragiek van mensen die terugkijken op het leven Door Anton van Wilderode werd het vergeleken met “Suiker” van Hugo Claus: a) milieu en sfeer Streuvels: ruimtelijk geïsoleerde barak in chicoreifabriek Claus: geïsoleerde barak in suikerfabriek (in den vreemde én tussen vreemde arbeiders) b) de personages In beide gevallen gaat het over vijf seizoenarbeiders uit Vlaanderen Streuvels: Fliepo als geïsoleerde figuur Claus: Kilo als geïsoleerde figuur Streuvels: twee ouderen, Blomme en Hutsebolle; bij Claus: de twee Minnes Streuvels: twee jongeren, Maf en Lot; bij Claus: Max en Jager “Claus laat in dit stuk zien hoe weinig er van de mens overblijft in een omgeving waar alleen aan productie wordt gedacht. Waar de arbeiders langzaam verworden omdat ze geen behoorlijk eten hebben, geen menswaardig werk, geen behoorlijke ontspanning, geen menselijk contact.” (AvW) Opvallend is dat deze mensonwaardige toestand geen opstandigheid oproept. Dat is bij Streuvels eveneens het geval. Eén van de beste voorbeelden hiervan is “Horieneke” (1905), waarbij de beschrijving van haar eerste werkdag, onmiddellijk na haar plechtige communie, bij een boer met een slechte reputatie ook referenties oproept aan “Klinkaart” van Piet Van Aken. Eenzelfde schets van seizoenarbeid vinden we bij Streuvels in “De oogst” (1901). Zelf vroeg ik me af of “Het leven en de dood in den ast” ook niet tot het magisch-realisme kan worden gerekend, met name omwille van de overeenkomst tussen de dood van Knorre en de droom van Blomme.
Oe oe oe, goeie shit. Prachtig werkje over een stel mannen, werkend in Den Ast, en hun levensoverpeinzingen. Het archaïsche Vlaams is soms lastig om doorheen te ploegen als arme Hollander, maar het is het meer dan waard. Aanrader!
" 's Mensen leven is een doortocht; waarom al dat wroeten en trachten naar iets wat men na korte tijd moet laten liggen?"
"onder het werken is er altijd die droom geweest, dat verlangen om ergens te komen, en nu blijkt het dat die droom zelf – en niet de verwezenlijking er van – het geluk van zijn bestaan heeft uitgemaakt"
Ik was diep ontroerd door dit meesterwerk van Stijn Streuvels. Hij volgt enkele eenvoudige mensen tijdens hun alledaagse arbeid in den ast, ogenschijnlijk heel banaal. De personages ontpoppen zich echter heel snel van schijnbare figuranten naar protagonisten met diep menselijke en universele emoties. De moeite die ze hebben om hiermee om te gaan en deze te uitten is exemplarisch voor de natuur van de bewoners van deze streek.
De herkenbaarheid van de taal zowel als de manier waarop deze mensen omgaan met hun levensbeschouwingen en emoties zijn zo herkenbaar dat het aangrijpend wordt. De laatste paragraaf van het boek vat alles heel goed samen. Stijn Streuvels slaagt erin de essentie van de condition humaine te vatten in een werk dat de lezer doet contempleren over z’n eigen plaats in de wereld.
Heel mooi geschreven. Het is nog een korte verhaal. Het is een teken hoe goed een schrijver Streuevels is dat niet zo veel in de verhaal gebeuren is, maar het voelt compleet. De enige probleem ik had met deze boek is de dialect. Er zitten zo veel woorden en zinnen dat voor iemand wie (zoals ik) Nederlands niet als moeder taal spreekt het moeilijk te begrijpen kunnen zijn. Maar het is evenwel heel mooi geschreven Nederlands dat ik kan het wel genieten, zelfs al ik niet alle woorden en zinnen begreep.
Een van Streuvels zijn meer filosofische werken. Al vind ik dat een domme benaming aangezien quasi alle literatuur vragen stelt. Toch komt hier een heel belangrijke vraag centraal te staan, de vraag naar de dood.
Ik denk dat ik hier ooit is een paper over ga schrijven want het is gewoon de moeite waard om dit boek in de schijnwerpers te plaatsen.
Daarnaast hoe Streuvels zijn taal gebruikt is zo prachtig en blijkt wederom van een enorm talent voor stijl.
Ongelofelijk fascinerend boek. Het innerlijk leven van gewone mensen, dagloners in een schuur, indringend blootgelegd. Ik beleefde het als kijken naar toneel, levensecht en direct. Prachtige taal. Ik las het als ebook met voetnoten die je makkelijk kon oproepen.
‘En in de schemering van de grijze winterdag die opkomt, herneemt de handeling der drogers, als het opvoeren van een spel - het herhalen van’t geen ze gister, en de andere dagen hebben opgevoerd en heel de winter lang, een onafzienbaar getal keren, herhalen en opvoeren zullen.´
Wauw 🙌
This entire review has been hidden because of spoilers.