Jump to ratings and reviews
Rate this book

Boeiuh!: het stille protest van de jeugd

Rate this book

96 pages, Paperback

First published March 1, 2007

1 person is currently reading
25 people want to read

About the author

Rob Wijnberg

11 books46 followers

Ratings & Reviews

What do you think?
Rate this book

Friends & Following

Create a free account to discover what your friends think of this book!

Community Reviews

5 stars
3 (6%)
4 stars
18 (40%)
3 stars
18 (40%)
2 stars
6 (13%)
1 star
0 (0%)
Displaying 1 of 1 review
Profile Image for Jeroen.
220 reviews48 followers
March 14, 2016
Een pamflet voor een stil protest; een klein honderdtal pagina's tekst ter overtuiging niet zozeer van het feit dat de jeugd niets vindt, maar eerder van het feit dat de jeugd vooral niets meer wil vinden. Het lijken mij beide nogal paradoxale uitgangspunten, maar misschien zit hem daar wel de uitdaging.

Ik weet nog dat ik Rob Wijnberg rond deze tijd (midden jaren 00) af en toe op de televisie zag verschijnen. Hij was een verfrissende verschijning; hij leek nog de jeugdige en ietwat naïeve overtuiging te hebben dat hij het medium van binnenuit kon oprollen. Hij hamerde constant op het belang van beeldvorming, daarbij wellicht wel (doch waarschijnlijk niet) vergetende dat de tv inherent (en zeer letterlijk) beeldvorming is. Waar hij zich schuldig aan maakte was beeldvorming over het begrip beeldvorming.

Speaking of beeldvorming: net als Jesse Klaver heeft Wijnberg dat pedante en vlotte van de jongeling die de waarheid in pacht denkt te hebben. Dat is ietwat ironisch, want Wijnberg verhaalt hier juist over het relativisme van onze generatie, de daar zit óók wel weer wat in-filosofie. Zijn betoog hier valt samen te vatten in een citaat te vinden ergens halverwege: “De wereld kunnen redden is een illusie, de wereld willen redden zelfbedrog. Daar is deze generatie zich meer dan ooit van bewust.”

De verhandeling draait vooral rond de televisie, en is daarin eigenlijk nu (en ik denk eerlijk gezegd ook al toen het uitkwam) al verouderd. De tv is voor de jeugd toch zeker niet meer het centrale medium. Zeker, hij is alomvertegenwoordigd, maar dan toch vooral als ruis op de achtergrond, “singing softly as you fall asleep.” Het meest verbouwererende moment in dit betoog is toch wel wanneer de auteur zich afvraagt:
Bovendien, wat is er nu eigenlijk nog echt? Wanneer je bedenkt dat bijna iedereen die vaker dan eens op televisie verschijnt hoogstwaarschijnlijk een mediatraining heeft genoten, waar moeten wij de authenticiteit dan nog zoeken?
Where indeed? Als de televisie al niet meer echt is... Maar ik begrijp het ook wel weer. De Amerikaanse schrijver Walker Percy schreef in zijn roman The Moviegoer over “a heightened aura of reality” bij het zien van een filmster. Ik denk dat zo'n indruk ontstaat omdat de film en het televisieprogramma zich binnen een context bewegen, geplot en geframed worden. Het werkelijke, echte leven daarentegen, dat zich juist plaatsvindt tussenin de momenten waarin de kijker zijn leven tijdelijk afstaat aan een andere, virtuele dimensie, kent geen duiding, en mist dus (op een bepaald niveau) realiteit.

Maar ik denk dus eigenlijk dat de jeugd daar al voorbij is. De televisie, met zijn topdown collectieve approach, is niet meer de sturende kracht voor de jeugd. Nee, de meest kenmerkende schets in dit boekje is er één die denk ik vele ouderen compleet vreemd (en beangstigend) voorkomt:
Ruben is een product van zijn tijd. Postmodernist in hart en nieren, al noemt hij zichzelf liever 'realist'. Op de hoogte van alles, bewogen door niets. 'Ik heb geen gevoel,' verklaarde hij laatst nog, nadat hij erachter was gekomen dat de dood van zijn opa hem nauwelijks kon raken. De treinreis van anderhalf uur van Amsterdam naar Enschedé, waar zijn grootvader werd begraven, had hem naar eigen zeggen nog het meest aangegrepen. Dat wil zeggen, het had hem vreselijk geïrriteerd dat hij de eerste warme zomerdag in een niet-geventileerde coupé moest slijten, maar goed, hij troostte zich – zo zei hij – met de gedachte dat 'irritatie ten minste een emotie was'. Over zijn opa bracht hij nog te berde: 'Hij is dood, wat wil je dat ik doe?'
Zulk een sentiment kwam je in vroegere tijden enkel tegen in Franse existentialistische romans. Inderdaad, het is moeilijk hier niet te denken aan De vreemdeling van Camus, waarin hoofdpersoon Meursault emotieloos de begrafenis van zijn moeder bijwoont. Maar dat boek ging nu juist precies daarover, over de maatschappelijke (en uiteindelijk zelfs de letterlijke) veroordeling van zulk een vertoon. Ik ben wel eens bang dat dat gaat veranderen, dat dit acceptabeler gaat worden. Ik vermoed dat we ons bewegen richting ultieme vervreemding – want hoeveel meer vervreemd kun je geraken dan een gebrek aan banden met degenen die biologisch het dichtst bij ons staan, die ons biologisch het minst 'vreemd' zijn?

Grootvaders zitten ergens in verzorgingstehuizen, en op een dag zitten ze daar niet meer. Doen alsof zoiets een schismatische impact heeft op het leven van het kleinkind zou in veler gevallen een onoprecht sentiment zijn. Maar dat feit op zich geeft wel stof tot nadenken. Zelfs een Ruben zal toch onmogelijk in termen van boeiuh kunnen spreken over de dood van zijn grootvader. Camus' punt leek nu juist te zijn dat zelfs de ultieme band – die van moeder en zoon – niet meer afdoende is, wanneer men zich in het miasma van het eeuwige, ellendige “zijn” bevindt. Zo ver zijn we gelukkig nog niet met z'n allen; laten we vooral omkeren nu dat nog kan – als dat nog kan.
Displaying 1 of 1 review

Can't find what you're looking for?

Get help and learn more about the design.