Een zorgvuldig beschreven geschiedenis van een gebied dat gedurende lange tijd Frisia heette en dat in feite het hele kustgedeelte van Nederland en het huidige België omvatte. Heel veel duidelijker is het gebied niet te definiëren, want zeker landinwaarts waren de grenzen vaag en ze verschoven nogal eens, vooral afhankelijk van de waterstand in een periode. Want de bewoners van Frisia konden zich lange tijd min of meer zelfstandig handhaven dankzij dat water. Frisia was nat en ondoordringbaar als je er de weg niet wist. De bewoners, in de bronnen Friezen genoemd, hebben in de loop der geschiedenis geen etnische eenheid gevormd. Het volk dat werd beschreven door de Romeinse geschiedschrijvers is waarschijnlijk zelfs niet eens dezelfde etnische groep als de Friezen van de (vroege) middeleeuwen. Na het vertrek van de Romeinen is onze kuststreek zelfs lange tijd vrijwel onbewoond geweest. Geleidelijk aan vestigden zich er een boerenbevolking op terpen en wierden, mogelijk deels vanuit Drenthe en deels vanuit het noorden van Duitsland en het midden van Denemarken. Dit volk onderhield een moeizame relatie met de Franken, die hen geleidelijk aan gingen overheersen, maar nooit volledig. De Friezen voelden zich waarschijnlijk veel meer verwant aan de Angelsaksen en de Denen, met wie ze cultuurelementen en een geloof deelden. Friezen maakten dan ook regelmatig deel uit van de losse Viking-verbanden die op rooftocht gingen. De glorietijd is de periode van koning Radbod (eind 7e- begin 8e eeuw), waarschijnlijk meer warlord dan een echte koning. De Friezen handelden nooit als één volk, maar eerder als een verbond van stammen als dat nodig was. Radbod wist een groot deel van de Friezen aan zich te binden en zo de Franken lange tijd weerstand te bieden. De kerstening van de Friezen bleef lange tijd ook zonder succes of slechts tijdelijk. Ook Willibrord had daarin waarschijnlijk minder succes dan we lange tijd hebben aangenomen. En hoe het met Bonifatius afliep, dat weten we allemaal.