Médor, met zijn gelig en vies haar onder de sneeuw, blafte zo vrolijk, sprong zo opgewekt tegen hem op, dat meneer Ximenestre er even aan moest denken dat er niemand meer, sinds lange tijd, hem op zo'n manier had aangekeken. Zijn hart brak. Met zijn blauwe ogen keek hij diep in de kastanjebruine van Médor en zij beleefden samen een moment van onuitsprekelijke tederheid. ("Een hondse nacht", p. 91)
— Feb 02, 2026 01:03AM
Add a comment